Vragenlijst spindiagram

De COK doet de verbrede advisering over verduurzamingsvoorstellen op basis van de door de initiatiefnemer aangeleverde informatie. Hoe beter die is, hoe beter het advies. Per thema zijn vragen opgesteld die beantwoord kunnen worden door de initiatiefnemer. Het zijn vragen die een initiatiefnemer, als het goed is, zichzelf sowieso al stelt. We vragen geen extra rapportage maar informatie en achtergronden van een project die de opgave beter inzichtelijk maken.

Architectuur en stedenbouw

De architectonische uitwerking en aansluiting op de omgeving vormen de kern van de advisering door de COK. De uiteindelijke toets is uiteraard gebaseerd op de Welstandsnota. Deze is verder uitgewerkt in de richtlijnen van Duurzaam Renoveren. Deze handreiking is een nadere uitleg van de welstandsnota, geen aanpassing daarvan. De oude handreiking is al enige jaren onderdeel van de advisering door de COK in het kader van Mooi Verduurzamen. Ten opzichte van deze oude leidraad heeft de stedenbouwkundige context van de ingreep een meer expliciete positie gekregen.

Vragen aan initiatiefnemer bij planbespreking

  • Welke WA-waardering heeft de gemeente Amsterdam aan het gebouw gegeven en hoe valt het gebouw in de Duurzaam Renoveren matrix van de COK?
  • Maakt het gebouw onderdeel uit van een stedenbouwkundig ensemble? En hoe verhoudt het gebouw zich tot dit ensemble?
  • Wat is de context van de aanpak, wat zijn de plannen voor de gebouwen in de buurt/wijk?
  • Wat is het oorspronkelijk architectonisch concept van het gebouw, hoe is dat  tot stand gekomen, en welke positie in het oeuvre van de architect nam het in?
  • Hoe is daar sinds de ingebruikname van het gebouw mee omgegaan?
  • Hoe verhoudt zich de ingreep tot dit oorspronkelijke concept? Herstelt de ingreep het concept, verbetert de ingreep het concept, verandert de ingreep het concept?

Lage kosten, groot effect

Een renovatieplan dat aan ‘redelijke eisen van welstand’ voldoet heeft een goede balans tussen het resultaat van de ingreep en de mate van ingrijpendheid van de aanpak. Enige terughoudendheid in de benadering van een renovatieaanpak is vaak aanbevelenswaardig, zowel met het oog op behoud van cultuurhistorische waarde, als vanwege een zo gering mogelijke materiaalbelasting (MPG-score). En, last but not least, ten behoeve van zo laag mogelijke kosten. Daarom is naar analogie van de Restauratieladder en de Ladder van Lansink de Duurzaamheidstrap ontwikkeld: een simpel rijtje uitgangspunten voor de initiatiefnemer van een renovatie om vast te stellen hoe ingrijpend of terughoudend de voorgestelde werkwijze is.

Vragen aan initiatiefnemer bij planindiening:

  • Wat is het niveau van de ingreep op de duurzaamheidstrap? Waarom is voor dit ingreepniveau gekozen? Waarom bijvoorbeeld niet steviger ingrijpen of juist bescheidener?
  • Wordt een maximaal resultaat behaald met een minimum aan maatregelen?
  • Wat is de beoogde levensduur/ afschrijvingstermijn van de ingreep?

Verbetering van de woonkwaliteit

Verbetering van de woningkwaliteit is over het algemeen een onderdeel van de opgave, zo niet hét doel van de renovatie. Gedacht vanuit de woning of de manier van bewoning zijn er veel factoren die op de planvorming van invloed kunnen zijn.

Vragen aan initiatiefnemer bij planindiening:

  • Hoe steekt het gebouw bouw- en woontechnisch in elkaar, welke problemen en kwaliteiten biedt dat? In welke mate voldoet de plattegrond nog aan de huidige woonbehoefte? Leg uit.
  • Welke verbeteringen in de woonkwaliteit zijn gewenst/noodzakelijk en hoe krijgen die een plek in de voorgestelde aanpak?
  • Wordt de aanpak in bewoonde of onbewoonde toestand uitgevoerd en hoe is er bij deze afweging rekening gehouden met bouwkundige en architectonische kwaliteiten van het gebouw?
  • Hoe is de eigendomssituatie (geheel in eigendom of deel van een VVE)? En wat is de invloed daarvan op de planvorming?

Energiebesparing

Energiebesparing is over het algemeen een belangrijke factor in een renovatie. Corporaties hebben zich verbonden aan doelstellingen die vanuit de rijksoverheid zijn bepaald. Op dit moment wordt de energiebehoefte van een woning en de financieringsvormen die daarmee verband houden, nog gekoppeld aan een systeem van labels. Om die reden is bij de voorbeelden in de handreiking steeds het energielabel vóór en na de renovatie weergegeven.

Vragen aan initiatiefnemer bij planindiening:

  • Hoe is het gebouw bouwfysisch gedetailleerd en welke installaties voor ventilatie, verwarming en warm water zijn aanwezig. Wat zijn de klachten/problemen en waar is de aanpak primair op gericht?
  • Wat is het huidige energieverbruik van de woningen en hoe wordt de besparing gerealiseerd?
  • Welke ingrepen hebben het meeste effect?
  • Welke keuze is gemaakt ten aanzien van de kozijnaanpak en hoe is daarbij rekening gehouden met de restauratie-/duurzaamheidsladder? Hoe zijn hier de ventilatievoorzieningen meegenomen?
  • Welke keuze (binnenzijde, spouw buitenzijde of een combinatie daarvan) is gemaakt ten aanzien van de isolatie van dichte gevelvlakken en waarom? Wat zijn de consequenties van het evt. niet-isoleren of zeer beperkt (bijv. spouw of dunne plaat binnenzijde) van de dichte geveldelen? Hoe zijn de verschillende karakteristieken van de gevel (soms verschillend per gevel of geveldeel) meegewogen? Wordt het dak aan de binnen- of aan de buitenzijde geïsoleerd en waarom?
  • Welke energiebron voor verwarming ie beschikbaar, welke warmte-afgiftesystemen horen hierbij? Hoe gaat in de noodzakelijke ventilatie voorzien worden?
  • Hoe worden de evt. pv-panelen en nieuwe voorzieningen voor ventilatie, verwarming en ontluchting geïntegreerd in het dakplan, zodat het effect op het straatbeeld minimaal is?

Biobased, circulair en klimaatbestendig

Inmiddels wordt duurzaamheid breder gezien dan alleen het energieverbruik. Dit wordt ook verwoord in het Nieuwe Normaal (link) en in de stedelijke beleidsdoelstelling, ’Onze stad van morgen’ (link). Veel ten behoeve van energiebesparing toegepaste materialen zijn niet circulair (herwinbaar) of biobased (van organische oorsprong) en hebben gevolgen voor CO2 en stikstofuitstoot tijdens de productie of tijdens de verwerking op de bouw. Meer duurzame alternatieven komen beschikbaar maar worden nog maar weinig toegepast.

Vragen aan initiatiefnemer bij planindiening:

  • Hoe biobased en circulair zijn de toegepaste materialen? Zijn er alternatieven en waarom zijn deze wel of niet toegepast?
  • Leidt de ingreep tot grotere klimaatbestendigheid van het gebouw en buurt (biodiversiteit, vogelkastjes, wateropvang, natuurlijke schaduw, groen)?